Conjugaison du verbe "moeten" (devoir)

De MultiGram
Aller à : Navigation, rechercher
Conjugaison de l'auxiliaire "moeten"
Présent Passé
Singulier Pluriel Singulier Pluriel
   Ik    moet        Wij / we       moeten       Ik    moest       Wij / we        moesten    
   Jij / je    moet    Jullie       moeten    Jij / je    moest    Jullie    moesten
   U    moet    U    moet    U    moest    U    moest
   Hij / Zij / Het        moet    Zij / ze    moeten    Hij / Zij / Het        moest    Zij / ze    moesten
Ik moet heel nodig plassen !
Je suis pressé de faire pipi !

Nu moeten jullie eens even opletten.
Maintenant vous devez vraiment prêter attention.

We moesten ons helemaal uitkleden en in de kou blijven wachten.
Nous devions entièrement nous dévêtir, puis attendre dans le froid.

Moesten jullie echt zoveel lawaai maken ?
Deviez-vous vraiment faire tant de bruit ?